De inrichting van ‘vanzelfsprekende ontmoetingsplekken’

Om vertrouwd te worden met mensen buiten je eigen sociale kring zijn er in een wijk/stad ‘vanzelfsprekende ontmoetingsplekken’ nodig: plekken waar verschillende soorten mensen iets te zoeken hebben. Zoals de stoep voor het hek van een (sociaal gemixte) school, een tabak/tijdschriftenzaak met een kopieerapparaat, een kinderboerderij, een frietkot met een luifel, een goed gesorteerde kringloopwinkel, een autowasplaats en een buurtbibliotheek met ruime openingstijden, een koffieapparaat en zitplekken. Door elkaar daar geregeld tegen te komen, kunnen uitwisselingen ontstaan. Een blik van herkenning, een groet, een kort praatje, het afluisteren ervan, en uiteindelijk misschien ook een vraag, want door deze ‘publieke vertrouwdheid’ worden onbekende mensen beter benaderbaar voor elkaar.

Kan je zulke plekken ook maken? Of anders gezegd: als je een nieuwe binnen- of buitenplek inricht, hoe zorg je er dan voor dat verschillende groepen mensen hem herkennen als (ook) voor hen bedoeld? En hoe zorg je voor levendigheid? Waar moet je op letten en over nadenken?

  • De samenstelling van de voorbereidingsgroep

Allereerst helpt het als je de plannen voor zo’n plek met een heterogene groep mensen maakt. Daarmee duurt de voorbereidingsfase langer en wordt het inrichten complexer, maar kan de plek wel toegankelijker en herkenbaarder worden voor een brede groep mensen. Eerst met een kleine groep gelijkgestemden een plek inrichten en dan zeggen dat ‘iedereen’ welkom is, werkt niet. Mensen komen niet, want de plek is niet van en voor ‘ons soort mensen’. Of ze passen er niet in, ze storen of vinden niets van hun gading, want er is niet echt op hen gerekend. Met een gemixte voorbereidingsgroep kunnen er van tevoren al oplossingen bedacht worden voor eventuele ingewikkeldheden van gemengd gebruik. Of positiever geformuleerd: kan ervoor gezorgd worden dat de leuke kanten van gemengd gebruik er maximaal uitspringen. Je kunt voetballende jongens (en meisjes) in een hoekje stoppen, je kunt ook bankjes rondom de voetbalkooi zetten.

  • Zichtbaarheid en openheid

Je moet naar binnen kunnen kijken. Mensen associëren geslotenheid met beslotenheid: in gebruik door een bepaalde groep; en ze willen graag van buitenaf zien hoe het er van binnen uit ziet en wie er zitten. De binnenzitters vinden het trouwens ook fijn om naar buiten te kunnen kijken. Dus geen gordijnen, lamellen, plakplastic en (meestal verouderde) affiches voor de ramen. Voor gebruikers die beschutting nodig hebben, zijn er tijdelijke oplossingen (gordijnen kunnen ook weer open) of afgebakende deelruimtes. Bij de inrichting van buitenplekken is het de kunst om een goede combinatie van beschutting en openheid te vinden. Een rustige plekje in de schaduw, of juist de zon, en uit de wind is fijn, maar een park is aantrekkelijker en toegankelijker voor een breed publiek als er ook doorgangsroutes voor voetgangers, hardlopers en fietsers doorheen lopen.

  • Een duidelijke overgang tussen binnen en buiten

Een plek kan alleen open en gastvrij zijn als hij afgebakend is. Als mensen weten: hier stap ik in een domein waar ‘iemand’ over gaat, waar vermoedelijk bepaalde regels gelden. Die (liefst ongeschreven) regels geven een zekere rust, mensen weten waar ze zich aan te houden hebben en wat ze van anderen kunnen verwachten. Afbakeningen creëren intimiteit, omdat ze het gevoel versterken van samen op één plek te zijn; voor min of meer hetzelfde doel. Dat verkleint de afstand tussen mensen en maakt het makkelijker om iets te vragen of om als buitenstaander te reageren op een gesprek. Denk ook aan de onverwachte ontboezemingen bij overdekte tramhaltes. Bij binnenplekken is er de deur en de drempel. Buitenplekken kunnen afgebakend zijn met hekken en hagen, maar ook subtieler met het reclamevaandel, de luifel, de statafel en de (daarom goed gebruikte) vuilnisbak van het frietkot. Scholen denken vaak opvallend weinig na over de inrichting van de wachtplek van ouders, tenzij er gevaarlijke verkeerssituaties ontstaan.

  • Beweging en activiteiten

‘Ik kwam om wat te doen’, zeggen de mannen van het succesvolle Vadercentrum in het Haagse Laakkwartier. En dat geldt natuurlijk ook voor de winkel, autowasstraat en bibliotheek, zelfs voor wachtplekken als de schoolpoort en de tramhalte. Dat vereist nadenken over programmering (trekt het aanbod een gemengd publiek?) maar ook over inrichting. Als het doen weggestopt is in aparte lokalen, dan kan het gebouw nog steeds een sfeerloze en levenloze verzameling gangen en trappen zijn. Als mensen al doende een beetje langs elkaar heen schuiven, zoals bijvoorbeeld tussen de kasten van een bibliotheek, ontstaan mogelijkheden voor uitwisseling. Het doen geeft gespreksstof voor ‘small talk’ of juist informatieve gesprekken tussen onbekenden: “De tram is al weer te laat”, “Waar vind ik…?” Niet iedereen hoeft wat te doen. Kijken en commentaar leveren op mensen die bezig zijn, denk aan de mannen bij garages en bouwplaatsen, kan ook een fijne manier zijn om ‘onder de mensen te zijn’.   

  • Nog in te vullen ruimte

Binnen een jaar had Leeszaal Rotterdam West (totaal oppervlak 350m2) helemaal vol kunnen staan met boekenkasten. De stroom tweedehandsboeken gaat maar door. Dat hebben we echter bewust niet gedaan. Als mensen langs de eerste serie boekenkasten heen zijn gelopen, stuiten ze op een lege ruimte, aan drie kanten omlijnd door een drietredentrap, die er bijna om vraagt om er iets te organiseren: een presentatie, filmvoorstelling, concert, lezing etc. Er waren vanaf het begin vrijwilligers die dat wilden doen, maar deze ruimte is nog veel vaker gebruikt door bezoekers die ter plekke op ideeën kwamen. Nieuwe ideeën omdat ze graag iets willen doen in de Leeszaal; of oude ideeën waarvoor ze in de Leeszaal een plek vinden om te realiseren. Activiteiten die weer nieuwe bezoekers trekken. Een keuken zonder vaste gebruikers kan ook zo’n ‘opwekkende’ functie hebben. Of een speeltuin waar alleen wat materiaal ligt waar kinderen wat mee kunnen bouwen. Een vanzelfsprekende ontmoetingsplek is nooit af; er moet altijd ruimte blijven om iets toe te voegen.

  • Gastheren/vrouwen

Sommige winkeliers en frietbakkers zijn echte animators. Ze knopen makkelijk praatjes aan en brengen met hun kwinkslagen levendigheid en warmte in en om de toonbank. Soms kan een treinconducteur een halve coupé met telefoonwatchers aan het praten krijgen. Niet iedereen heeft die kwaliteiten en niet op elke vanzelfsprekende ontmoetingsplek loopt iemand rond die erover gaat, maar bij het creëren van een nieuwe plek of vitaliseren van een oude plek, is het nuttig om over die gastvrouw/heerfunctie na te denken. Een bord met huisregels aan de muur roept heel andere associaties op dan een persoon waar je iets aan kunt vragen en die je daarmee over de drempel helpt. Het ongemak om met je laptop naast een onverzorgde dakloze krantenlezer te zitten, is een stuk minder als je weet dat er iemand oplet. Uiteindelijk kan je dan ontdekken dat je met een dakloze ook gewoon iets kunt uitwisselen.  

  • De geschiedenis van een plek

Wijken veranderen. ‘Oude’ wijkbewoners, die niet altijd heel erg oud zijn, zien vertrouwde ontmoetingsplekken verdwijnen. Tegelijkertijd zien ze plekken ontstaan die voor de nieuwe bewoners bedoeld lijken te zijn. Hoewel het één geen 100% gevolg is van het ander, kan naast een gevoel van verlies ook een gevoel van verdringing ontstaan. Een Rotterdamse rapper zei onlangs tegen me: “Het was een lelijk plein, maar het was wel ons voetbalplein. Nu is het een mooi groen plein, waar je niet meer kan voetballen. Het lijkt wel of onze vertrouwde lelijkheid er niet meer mag zijn.” Bij het creëren van een nieuwe ontmoetingsplek kan je niet om de geschiedenis van die plek, straat, wijk heen. Verzamel verhalen (en mensen), geef ze een podium en neem ze mee in het maken van nieuwe plannen.

  • Verschillende sferen en gebruikers

Ook vanuit het gezichtspunt van gemeentelijk welzijnsbeleid lijkt het creëren of vitaliseren van ontmoetingsplekken effectief sociaal beleid. Maar daar zit ook een valkuil. Vanuit beleid kan je uit efficiëntie-overwegingen bij centralisering uitkomen. Ofwel één ‘Huis van de Wijk’ of hoogstens een paar plekken waar iedereen zich in moet kunnen vinden. Dat is echter een onmogelijke opgave en een onwenselijke situatie. Het is een uitdaging om heterogene initiatiefgroepen te formeren en plekken in te richten voor gemengd publiek en gebruik, maar dat moeten niet allemaal dezelfde soort plekken worden. Niet iedereen houdt van friet en/of voetbal en/of kerstballen, heeft een auto of kinderen van de basisschoolleeftijd. Een wijk heeft vanzelfsprekende ontmoetingsplekken nodig met verschillende sferen en gebruikers.

Ik schreef dit stuk voor het rapport van Arnold Reijndorp over de wijk Brugse Poort in Gent. Vandaar ‘frietkot’. Zie ook:

Joke van der Zwaard (2010) Scènes in de Copycorner. Van vluchtige ontmoetingen tot publieke vertrouwdheid. Amsterdam/Haarlem, Sun Trancity.

Joke van der Zwaard & Corrie Kreuk (2012) Ik kwam om wat te doen. Werkwijze en betekenis van Vadercentrum Adam. Rotterdam, E3D. downloaden via  https://haagsevaders.nl/in-de-media/methodiek-boek-vadercentrum/

Maurice Specht & Joke van der Zwaard (2015) De uitvinding van de Leeszaal. Collectieve tactieken en culturele uitwisselingen. Amsterdam/Haarlem, Trancity/Valiz

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven