Juni 2026. Een mooie zomeravondwandeling langs de randen van schiereiland Katendrecht eindigt nogal dramatisch. In het zicht van metrostation Rijnhaven versnel ik om nog bij groen licht het zebrapad over te steken. Klaas, die moe is (dat hoor ik aan het sloffen) probeert mij bij te benen, struikelt, en valt over mij heen. Of probeer ik hem nog tegen te houden? Ik val ook, op mijn rechterarm, en voel onmiddellijk dat t mis is. Geen pijnscheut zoals bij het stoten van je teen tegen een tafelpoot, het zit dieper en verdwijnt niet, mijn linker arm grijpt mijn rechter vast en het wordt zwart voor mijn ogen. Ik lig op de harde grond en probeer uit alle macht bij bewustzijn te blijven. Er staat onmiddellijk een groepje vrouwen om ons heen. Afgaande op de stemmen. Ik zie ze nauwelijks. Ik zie ‘sterretjes’, zo heet dat, feitelijk zie ik luchtbelletjes die op me afkomen. Een vrouw houdt me vast en zegt dat ik diep moet ademhalen. Ze doet het me voor. Langzaam verdwijnen die luchtbellen en zakt de misselijkheid een beetje. Ik zie dat Klaas staat. Gelukkig. Intussen is er een vrouw bij gekomen. Ze heeft een ehbo diploma, zegt ze. Ze neemt t over. De eerste groep haalt 2 flesjes water bij de Jumbo. Wat te doen? Een ambulance komt niet voor een eventuele gebroken arm, weten zij. Klaas belt huisgenoot Cengiz, hij is gelukkig thuis en komt eraan. Ik vraag Klaas om zijn jack. ‘Ehbo-vrouw’ vouwt hem om mijn arm en nek. Ze blijft voor de zekerheid achter me zitten met haar handen tegen mijn rug. Een passerende man stelt voor om haar te vervangen. Ze accepteert t want ze zit al een tijdje in een ongemakkelijke houding. Ze zegt tegen de andere vrouwen dat ze het zo wel redden, dus dat ze niet per se hoeven te blijven. Niemand vertrekt. Alles bij elkaar ben ik bijna een half uur het middelpunt van een spontaan gevormd zorgnetwerk. Als ik uiteindelijk door de grote stevige man (ik zie hem nu pas) in Cengiz’ auto wordt gehesen (au au!) staat er een heel clubje mensen, in alle kleuren van Rotterdam Zuid, om me uit te zwaaien. We hebben geen namen of telefoonnummers uitgewisseld. Ik kan hen niet laten weten hoe liefdevol beschermd ik me door hen voelde, daar op de stoep voor het metrostation. (En dat mijn bovenarm inderdaad gebroken is, helemaal doormidden)
Maar er is me nog iets anders bijgebleven. Iets pijnlijkers. De ‘EHBO-vrouw’ zegt in dat half uur 3 keer dat dit toch laat zien dat mensen van Rotterdam Zuid echt wel lief, behulpzaam, zorgzaam zijn. (Ze weet inmiddels dat we in het Oude Westen wonen) ‘Dat wist ik wel hoor’ mompel ik nog. Ik ken veel aardige zuiderlingen, maar vind het vooral treurig dat die zinnen bij haar opkomen. Wilde ze alleen Klaas en mij overtuigen, of ook zichzelf? Hoe het ook zij, zo werkt het dus: als een gebied met 200.000 inwoners voortdurend afgeschilderd wordt als probleemgebied, met bewoners die alleen maar bezig zijn met individueel overleven en geen ruimte hebben om naar elkaar om te zien. ‘Afgehaakte’ bewoners, want ze stemmen niet. (‘Bezorgde’ burgers wonen ergens anders). Een gebied dat gered moet worden door de import van ‘sterke schouders’, mensen met meer opleiding en geld. Die schouders zijn er al, ik heb ze letterlijk en figuurlijk gevoeld. Wat hen in de weg zit, is een negatief imago, dat voortdurend bevestigd wordt door de functionarissen die op Zuid het geld verdelen; en media die hen kritiekloos napraten.
Dit stuk is getikt met mijn linkerwijsvinger op mijn telefoon.
Op de foto: mijn favoriete street art paal bij metrostation Rijnhaven, gemaakt door jongeren van Projectspace Niffo op de Pretorialaan. Een bijzondere plek geleid door een bijzondere vrouw/zuiderling/wereldburger: Zoë Cochia.