Koppigheid waarderen

Overheden en fondsen zijn dol op bewonersinitiatieven en overladen hen met aandacht, startpremies en complimenten. Die liefde is echter hevig maar kort. Eén, hoogstens twee jaar. Voor doorzetters is weinig interesse, op financiële steun hoeven zij niet te rekenen. Een succesvol initiatief vindt een ‘verdienmodel’ en kan ‘zijn eigen broek ophouden’ luidt het credo. Dat is echter een illusie; en de subsidievoorwaarde om elke keer met iets nieuws te komen, put de mensen uit. Met een filosofie van rust kan de democratische waarde van deze particuliere initiatieven voor een publieke zaak meer tot zijn recht komen.

De ontoereikendheid van rekenmodellen

Min of meer als reactie op de (onhaalbare) economische zelfstandigheidseis aan bewonersinitiatieven zijn rekenmodellen bedacht om de meerwaarde van dit vrijwilligerswerk in euro’s uit te drukken. In ons onderzoek naar de verduurzaming van bewonersinitiatieven (Van der Zwaard e.a. 2018) heeft Van Wieringen zo’n methode van ‘verhalende rekenkunde’ uitgeprobeerd op 1 jaar Leeszaal Rotterdam West, het inmiddels zes jaar bestaande ‘initiatief’ waar wij – als vrijwilliger en als onderzoeker –  nauw bij betrokken zijn. Door eenvoudig telbare activiteiten en opbrengsten van de Leeszaal te koppelen aan reguliere vergoedingen en betaalde diensten kwam hij uit op een maatschappelijke waarde  tussen € 315.085 en € 397.724. Op een jaarlijkse investering van € 39.549 een rendement van minimaal 6,97 keer het geïnvesteerde bedrag. Voorwaar een hele prestatie!

En toch voelen wij ons ongemakkelijk bij dit ‘harde’ bewijs van de meerwaarde van de Leeszaal. Niet eens zozeer omdat we dit bedrag nergens kunnen cashen. Ook niet vanwege de moeilijkheid om bepaalde resultaten toe te schrijven aan specifieke activiteiten in de Leeszaal. Van Wieringen is daar heel bescheiden en voorzichtig mee omgesprongen. Ons probleem is de beperktheid van deze economische blik. Ze is armoedig, omdat alle mooie dingen en kritische functies daarmee niet (h)erkend worden. Bijvoorbeeld dat al onze computers op Linux draaien en dat de Leeszaal door computerman Martin informatiecentrum is geworden van dit tegendraadse worldwide burgerinitiatief. En dat Halida elke woensdag het hele plein aanveegt; voor het plein geen overbodige luxe, voor haar een manier om met de onrust van haar oorlogsherinneringen om te gaan. En dat Mieke en Joke op alle beleidsniveaus de schraalheid van het taallesaanbod in Rotterdam aankaarten. En dat er een nieuw initiatief is genomen, Jeugdbieb West, omdat we vinden dat de kwaliteit van onze jeugdcollectie onvoldoende is en we Bibliotheek Rotterdam niet konden overhalen om een (Jeugd)bibliotheek in West te (her)openen. Bewonersinitiatieven doen niet alleen nuttige dingen, ze bieden mensen de ruimte om alternatieven voor de heersende orde uit te proberen. Bewonersinitiatieven voeren niet alleen uit, vullen niet alleen gaten, ze praten ook terug.

Kijken naar het wat en waarom van bewonersinitiatieven

Wat is er nodig om te bepalen wat de democratische waarde van bewonersinitiatieven is en hoe de overheid het voortbestaan ervan zou kunnen waarderen en ondersteunen? Daarvoor bieden modellen die de maatschappelijke waarde ervan reduceren tot vervangingswaarde van (voormalige) overheidstaken of te cashen commerciële waarde een (te) smalle basis. Wat helpt is een open blik op de motieven, doelen, ambities, praktijken en verhalen van initiatiefnemers en volhouders. Waar maken die ‘actieve’,‘sociaal ondernemende’ burgers of ‘vrijwilligers’ zich druk om? Waar willen ze zich (langdurig) onbetaald voor inspannen? Hoe willen ze het doen en waarom willen ze het zelf doen?

Om met het laatste te beginnen: voor een deel is dat ‘zelf doen’ voor mensen vanzelfsprekend. Denk aan de sport, een van de grootste vrijwilligersdomeinen. Ook voor sport-plus, net wat meer doen dan het materiaal onderhouden en de trainingen en wedstrijden regelen, hoeven de verenigingen nauwelijks een extra zetje te krijgen. Ook al gaat het soms hun (personele en financiële) krachten te boven. Ze doen het voor de sport en voor de jeugd. Ook speeltuinverenigingen hebben hierin een lange traditie.

Daarnaast pakken mensen inderdaad maatschappelijke taken op die de overheid uit haar handen liet vallen en/of door de markt verprutst worden. Gewoon omdat ze vinden dat het sociaal, cultureel en/of ecologisch van belang is. Denk aan de vele mensen die nieuwkomers onbetaald taalles geven. Leeszaal West en Jeugdbieb West zijn hier ook voorbeelden van. Het plezier van het ondernemen, iets creëren, het samen dingen doen, het experimenteren en nieuwe dingen leren, maken dat ze het ook nog eens lang volhouden.

Het zelf doen kan door mensen ook gezien worden als een kans om meer invloed te hebben op de eigen fysieke omgeving. Tot tien jaar geleden mocht je nog geen tegel uit de stoep halen. Tegenwoordig is het niveau van het gemeentelijk onderhoud van de openbare ruimte lager en reageren gemeentes soepeler en enthousiaster op eigen initiatieven op dit terrein. Bewoners (niet allemaal) blijken elkaar te vinden op zachter en groener en kindvriendelijker.

Mensen willen via eigen media en culturele producties een beter en heterogener beeld van hun wijk of groep naar voren brengen. Ze willen niet vernederd en gestigmatiseerd worden en tegenspraak leveren op standaardbeelden en beleidscategorieën; en talenten in hun wijk of groep de kans geven om zich te presenteren en ontwikkelen. Afri-Cultuur, zoals wij de verzameling kleinschalige cultuurinitiatieven in de Afrikaanderwijk in Rotterdam Zuid hebben genoemd, is daar een voorbeeld van.

Mensen vinden dat ze sommige zaken zelf sneller, efficiënter en beter aanpakken dan formele, gesubsidieerde instanties. Bijvoorbeeld omdat ze als ervaringsdeskundigen de problemen van hulpvragers beter begrijpen, zowel rationeel als emotioneel. Ze willen het vaak anders doen: democratischer, informeler, rechtvaardiger en collectiever. Terwijl zorg- en welzijnsinstellingen sociale problemen individualiseren en proberen op te lossen met (onbetaalde) een-op-een-hulp, zetten zelforganisaties ook in op publieke ruimtes waar mensen elkaar op een minder geregisseerde manier kunnen treffen. Dus nemen mensen wegbezuinigde buurthuizen in zelfbeheer en creëren ze op b-locaties collectieve tuinen, muziekstudio’s en laagdrempelige galerieën.

De verantwoordelijkheid voor een plek

In alle initiatieven die wij onderzocht hebben, zijn mensen bezig met het creëren en beheren van een plek die ze nodig hebben voor een activiteit, aanbod, programma. Door een bewuste brede publiekskeuze wordt het een publieke plek, waar uitwisselingen kunnen ontstaan tussen mensen met verschillende achtergronden en sociale netwerken (Hajer & Reijndorp 2001). Aantrekkelijke publieke plekken hebben iets vertrouwds en iets spannends, mensen hebben het gevoel erbij te horen, maar ze kunnen er ook nieuwe ervaringen opdoen, nieuwe mensen ontmoeten. Er kan publieke vertrouwdheid tussen onbekenden ontstaan, een basiskenmerk van een goed sociaal klimaat in een wijk. Omdat dit ook collectieve ruimtes zijn, plekken die gezamenlijk op basis van vrijwilligheid gemaakt worden, moet de plek uitnodigen om iets te doen, iets bij te dragen. Dat vereist een combinatie van kwaliteit/zichtbare zorgzaamheid en creatieve rommeligheid/onafheid. ‘Opwekkende plekken’ hebben we dat genoemd (Kreuk & Van der Zwaard 2013, Van Dijk 2016). Zo’n sfeer ontstaat niet vanzelf. Het stelt eisen aan de openingstijden, uitstraling, de inrichting, het beheer, het gastheer/vrouwschap en de (ongeschreven) regels (Van der Zwaard 2010, Vos 2017). Het maken en beheren van een publieke ruimte vereist dus verschillende soorten vakmanschap die niet allemaal vanzelfsprekend in vrijwilligersorganisaties aanwezig zijn. Maar ook als dat wel zo is, kan de verantwoording voor een publieke ruimte wrijvingen en spanningen met zich meebrengen. De Leeszaal wil er ook zijn voor mensen die gewoon met een krantje tussen de mensen willen zitten. Dat is gelukt, inclusief dak- en thuislozen die soms te ruikbaar aanwezig zijn, en mensen ‘waar iets mee is’ en die onaangenaam onvoorspelbaar zijn. Dat kan zwaar en onveilig zijn voor vrijwilligers; mede omdat zij nergens op kunnen terugvallen, behalve op 112 als het uit de hand loopt. Professionele zorginstanties zijn voor deze organisaties onbereikbaar (zoals het Sociaal Wijkteam en de gespecialiseerde zorg) of ongeschikt (zoals de Vraagwijzer). Het zorgsysteem dat gemeentes hebben opgetuigd, houdt geen rekening met het feit dat vrijwilligersorganisaties een aanzienlijk deel van de dagopvang van dak- en thuislozen en mensen met een psychiatrische achtergrond verzorgen. Daar komt bij dat die vrijwilligersorganisaties nogal wat ‘vrijwilligers’ toegeschoven krijgen met een – volgens de betaalde integratieprofessionals – onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt. Vaak mensen die extra aandacht vragen.

En dan is er nog de zware last van de vaste lasten. Zelforganisaties zijn heel goed in veel doen voor weinig geld, maar over de vaste lasten hebben ze geen controle. De huren van de door ons onderzochte plekken variëren van € 20.000 tot € 185.000. Eigenaren zijn gemeente en woningcorporaties. Daar komen de kosten voor gas/elektra, verzekeringen en gemeentelijke belastingen en heffingen nog bovenop. De meeste plekken zitten op b-locaties. Sommige hebben chronisch last van nachtelijk vandalisme en inbraken. Het cynische is dat diverse zelforganisaties na jarenlange inspanningen om de plek leefbaarder te maken vanwege de recente economische opleving moeten verhuizen en/of bedreigd worden door huurverhogingen. Zonder dankzegging voor bewezen diensten. 

Volhouden is een kunst: een pleidooi voor rust

De motieven, opbrengsten en vraagstukken waarmee vrijwilligers die een initiatief beginnen te maken hebben, zijn veelzijdig, inspirerend, maar ook complex. Volhouden vraagt inspanning en dat zou terug moeten komen in waardering. Dit zouden gemeenten en fondsen kunnen doen door rust te organiseren. Initiatief nemen betekent heel veel ballen tegelijk in de lucht houden. Daar wordt weinig over geklaagd. Het hoort erbij en dus accepteren initiatiefnemers en vrijwilligers dat het ‘hard voor weinig’ is. Maar er is ook een andere kant. Een eeuwig tekort – aan tijd, menskracht, steun, geld, kennis en aandacht –  levert stress op. Mensen raken geïrriteerd, soms opgebrand en er worden onder financiële druk keuzes gemaakt die strijdig zijn met de aard van de organisatie. De plek wordt bijvoorbeeld Huis van de Wijk zodat de huur in ieder geval gedekt is, maar de vrijwilligers raken wel hun autonomie kwijt. Deze onrust wordt nog eens versterkt door eisen die subsidieverstrekkers stellen aan initiatieven. Het moet altijd weer kwalitatief goed, nieuw, innovatief, voor iedereen toegankelijk, administratief volledig verantwoord, gemeten en geëvalueerd zijn. Dat kan ook anders, denken wij. Mede geïnspireerd door de ontwerpfilosofie achter webkrant De Correspondent, pleiten wij voor een filosofie van rust. “Een filosofie van rust creëren, zodat je je druk kunt maken om de inhoud” (Dunnink 2016). Een dergelijke filosofie kent 4 pijlers: bescheidenheid, inlevingsvermogen, generositeit en toegankelijkheid. Bescheidenheid gaat over meebewegen, spiegelen en het initiatief daar laten liggen waar het hoort; inlevingsvermogen betekent dat je accepteert dat je niet alles van te voren weet en kunt controleren, maar dat je meebeweegt op de lokaal aanwezige dynamiek; generositeit draait er om dat je niet te zuinig bent met tijd, aandacht, vertrouwen, het beschikbaar stellen van je netwerk en geld; en toegankelijkheid slaat op benaderbaarheid en niet te complexe formulieren en trajecten. Zie voor de precieze uitwerking ons rapport.

Het door gemeenten en fondsen in praktijk brengen van een filosofie van rust is een uitdrukking van ‘systemische erkenning’. Initiatieven worden niet langer gefinancierd uit bijzondere gelden en tot uitzonderingen gemaakt. Nee, er worden regels gemaakt die passen bij en bijdragen aan initiatieven. Niet om ze mogelijk te maken, maar om ze te laten voortleven. Daar zit behalve een praktische kant ook een expressieve kant aan. Speciaal voelen kan een tijdje leuk zijn, maar uiteindelijk willen deze mensen of initiatieven de norm en de normaliteit veranderen.

Voortzetting van een democratische traditie

Sociaal ondernemers en burgerinitiatieven staan in een lange traditie. De traditie van het ‘particulier initiatief’. Deze benaming voor allerhande maatschappelijke initiatieven is in de jaren ’70 vervangen door de term ‘maatschappelijk middenveld’. En dat is jammer, omdat daarmee de herkomst, maar ook een wezenlijk kenmerk van maatschappelijke instellingen zoals woningcorporaties, zorginstanties, speeltuinen en buurthuizen uit het zicht verdwenen (Tjeenk Willink 2002). Ooit zijn zij ontstaan uit het ongevraagde initiatief van een collectief van burgers die zich bekommerden om hun omgeving. Zij boden aan de betrokken burgers een `pleisterplaats in de publieke sfeer’, waar zij zich maatschappelijk kunnen uiten. Het waren plaatsen waar het eigenbelang in een publiek belang kan transformeren. (Krijnen 1992 in Van der Lans 2002). Terwijl ‘maatschappelijk middenveld’ de nadruk legt op organisatie en instituties, belicht ‘particulier initiatief’ het ongevraagde zichzelf initiërende handelen wat ook ten grondslag ligt aan veel hedendaagse maatschappelijke initiatieven.

Deze oude en nieuwe maatschappelijk initiatieven vertegenwoordigen een democratische waarde. Democratie opgevat als participatie, als ruimte voor mensen om ‘een publieke zaak’ zelf ter hand te nemen. Door het oprichten van een school, een leeszaal, een speelplek of een groenplek doen mensen democratische ervaring op. Zowel inhoudelijk, door de keuze voor een publieke zaak, als praktisch: ze ervaren welk werk je moet verzetten om collectief iets voor elkaar te krijgen. Op die manier doen mensen allerhande democratische vaardigheden op. Vaardigheden die van belang zijn om te kunnen samenleven en samen handelen (‘collectieve zelfredzaamheid’) met allerhande verschillende mensen (Sampson 2005). Zoals luisteren, je publiek uitdrukken, regelen, organiseren, ritselen, mensen enthousiasmeren, je ongelijk toegeven, van mening veranderen, het even niet weten, etc. Allemaal zaken die je al doende, in een relatief veilige en overzichtelijke omgeving leert en meeneemt.

Dat brengt ons terug bij het rekenmodel waar we mee begonnen. Met die beperkte economische inkadering leg je het initiatief woorden in de mond die niet helpen uit te drukken wat er echt van waarde is. Met het initiatief wordt namelijk niet alleen iets geproduceerd, het stelt iets voor. Het is een handeling in de zin van Arendt, een publieke daad die moed vereist omdat zij principieel onzeker is in haar uitkomst en de manier waarop ze door anderen ontvangen wordt (Arendt 2017). Die oorspronkelijke moed transformeert op den duur in koppigheid. Niet in de zin van het doorzettingsvermogen van de harde werker, maar als een sterke houding vanuit een bepaalde wil en urgentie om ergens bij te blijven. Ergens bij blijven staan waar iets anders – sociale, maatschappelijke, culturele, normatieve krachten – je van weg wil trekken. Een houding waarmee je je onverzettelijk en daarmee ook kwetsbaar opstelt (Scholts 2018, p 94). Rebelse deugden die per definitie ontsnappen aan een rekensom.

Als het bestuurders ernst is om burgers meer te betrekken bij de publieke zaak, dan zouden ze die eigenwijze en kritische mensen die zich al in het publieke domein voor de publieke zaak inzetten niet tijdelijk moeten bewieroken en vervolgens de mond snoeren, maar echt serieus moeten nemen. Praktisch: wat hebben ze nodig om het vol te houden? En inhoudelijk: waar staan zij en hun activiteiten voor en hoe geven we die verhalen en voorstellen een plaats in de vormgeving van en besluitvorming over gemeentelijk beleid.  Wie weet, komt er dan ooit toch weer een (jeugd)bibliotheek in Rotterdam West.

Referenties

  • Arendt, H. (2017) De menselijke conditie, Boom, Amsterdam
  • Scholts, N. (2018) Zorg (care) – ergens aan gaan staan,  in nY tijdschrift voor literatuur, kritiek & amusement, no. 37, pp. 90-96
  • Van der Zwaard e.a. (2018) Voorbij de pioniersfase van bewonersinitiatieven, URL: http://www.spechtindestad.nl/voorbij-de-pioniersfase/
  • Hajer, M. & A. Reijndorp (2001) Op zoek naar nieuw publiek domein. Rotterdam, NAI
  • Van der Zwaard, J. (2010) Scènes in de Copy Corner. Van vluchtige ontmoetingen tot publieke vertrouwdheid. Amsterdam/Haarlem, SUN/Trancity.
  • Van der Zwaard, J. & C. Kreuk (2013) Ik kwam om wat te doen. Werkwijze en betekenis van vadercentrum Adam. Den Haag.
  • Dijk, W. van (2016) Klimaten. Kleinschalige stedenbouw in de binnenstadswijk. Rotterdam, WSR
  • Vos, A. (2017) 3rd4all. How to create a relevant public space. Rotterdam, NAI
  • Dunnink, H. (2016) Rust. Een ontwerpfilosofie voor de digitale tijd, De Correspondent. URL: https://decorrespondent.nl/3989/rust-een-ontwerpfilosofie-voor-de-digitale-tijd/359949573049-66be717e
  • Tjeenk Willing, H. (2002) De herwaardering van het particulier initiatief, in WRR, Particulier initiatief en publiek belang. Beschouwingen over de aard en toekomst van de Nederlandse non-profitsector, Den Haag, WRR
  • Krijnen, Henk (red.) (1992) Burgerschap en maatschappelijk middenveld. Stichting TMW, Haarlem
  • Van der Lans, J. (2002) Maatschappelijk middenveld: laboratorium voor democratisch burgerschap, Tijdschrift voor de Sociale Sector
  • Sampson, R.J. (2005) ‘Civil society reconsidered: the durable nature and community structure of collective action’. In: American Journal of Sociology, vol. 111, nr. 3, 673-714.

Geschreven met Maurice Specht. Gepubliceerd in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, 2019-1, p. 22-25

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven